Behoefteonderzoek algemeen
Hier vind u in het de algemene resultaten uit het behoefteonderzoek dat gehouden is in het kader van het OASE-Weblectures project. Tevens zijn de resultaten per rol uitgewerkt: onderwijsgevenden, ondersteuners, managers. Dit onderzoek is gehouden onder medewerkers van de Universiteit Tilburg, NHTV Breda en Hogeschool van Amsterdam.
Docent
Binnen de instellingen geeft ongeveer de helft van de docenten aan ervaring te hebben met weblectures. Van de onderzochte groep geeft ongeveer drie kwart aan ook daadwerkelijk met weblectures in het onderwijs te willen werken. Ongeveer een kwart is hier ook al daadwerkelijk mee bezig; dit gaat dan voornamelijk om het opnemen van reguliere college’s (90%). Ongeveer de helft van de docenten meer willen doen met weblectures; daarbij wordt voornamelijk gedacht aan het opnemen van kennisclips (55%) en presentaties van studenten of anderen (32%) en in mindere mate het registreren van workshops en / of werkgroepen (18%).
Bij de docenten is duidelijk een grote behoefte aan ondersteuning. Bijna iedere docent heeft aangegeven dat de technisch wenselijk is (95%), maar ook didactische ondersteuning (57%) en organisatorisch ondersteuning (44%) wordt wenselijk geacht. Deze ondersteuning willen docenten liefts krijgen op basis van 'maatwerk' (70%) van een onderwijskundige (didactiek en organisatie) ofwel de ICT/AV onderstuener (techniek). Maar een training / groepsvoorlichting wordt door een grote groep gewaardeerd (40%). Enkel het uitdelen van handleidingen / tutorials wordt niet gewaardeerd.
De helft van de docenten (54%) heeft er geen problemen mee als de weblectures open op het internet toegankelijk zijn. Ook een grote groep (33%) wil echter dat deze enkel afgeschermd toegankelijk zijn met wachtwoord. Ontsluiten van weblectures voor studenten doen docenten liefst binnen de elektronische leeromgeving (80%) danwel een website (60%). Het grootste deel van de docenten (60%) wil zelf bepalen wanneer dit ontsluiten gebeurd nadat het college is gegeven. Ook zien docenten mogelijkheden voor het Live-uitzenden (25%) van colleges danwel vooraf verspreiden van kennisclips (40%). Waarbinnen het HBO-onderwijs de instelling eigenaar is van weblectures en dit ook zo is geaccepteerd, geven onderwijsgevenden aan de universiteit aan zélf eigenaar te (willen) blijven van de weblectures.
Conclusie: De docenten staan in het algemeen open voor weblectures en verwachten daarbij bijna zonder uitzondering ondersteuning op technisch gebied, maar ook didactisch en organisatorisch. Om weblectures binnen een instelling tot een succes te laten zal hiermee sterk rekening gehouden moeten worden (van implementatie tot up-and-running).
Ondersteuner
Van de ICT/AV medewerkers heeft ondegeer de helft zeer regelmatig met weblectures te maken (56%) en hadden resp. (24%) in enige mate ervaring met weblectures en 20% zelf (nog) geen ervaring met weblectures. Er moet in de weblecture-ondersteuning een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen Functioneel beheer en Technisch beheer. Waar de technisch beheerder vooral over de hardware gaat moet de functioneel beheerder vooral het maximale resultaat behalen met behulp van de middelen die hem / haar zijn gegeven.
Dit behoefteonderzoek is met name gericht op het functioneel beheer. Tussen de instellingen waren er duidelijke verschilen, denk aan de aanbieders, de faciliteiten en de organisatiestructuur. Hierdoor was er behoorlijk variantie in de antwoorden. Dit is binnen de instelling zeer verschillend georganiseerd; varierend van een professionele dienst tot student-assistenten die na een korte training opnemen verzorgen.
De ondersteuners geven zonder uitzondering aan dat het omgaan met beeld en geluid bekend terein is. Ze beschikken over voldoende basiskennis van de techniek waarmee weblectures worden opgenomen, ofwel kunnen dit zichzelf eenvoudig eigen te maken. Een achterwacht die bij groot technische problemen kan helpen is echter essentieel (75%). Vaak is die persoon binnen de instelling aanwezig bij ICT (56%) ofwel is er direct contact mogelijk met de leverancier (44%).
Het meerendeel van de ondersteuners is per saldo tevreden over de apparatuur waarmee gewerkt moet worden (vast opstellingen, mobiele sets). Verbeterpunten die worden aangegeven hebben veelal te maken met het geluid van de opnamens. Interactie tussen de spreker en publiek blijft lastig te registreren, met name in een grote zaal. Wanneer er gewerkt wordt met ruimte-microfoons gaat het registreren van interactie mischien wel beter, maar moet er sterk worden ingegrepen om ongewenste geluiden te onderdrukken. Voor het vastleggen van goede beelden is het soms lastig om de juiste wit-balans te vinden, zeker wanneer er in een ruimte wordt gepresenteerd waar de spreker in het donker staat, ofwel recht voor de presentatie staat. Het opnemen van colleges waar docenten fanatiek rondlopen worden als lastig ervaren. Daarom probeert het meerendeel (70%) van de ondersteuners hier vooraf afspraken over te maken. De steeds wisselende settings waarin colleges moeten worden opgenomen (mobiele-set) wordt altijd als lastig ervaren; het opbouwen en afbreken kost iedere keer tijd. ook moet rekening worden gehouden met lichtval, indeling lokaal etc. Ondersteuners geven aan hierin hun weg wel te vinden, maar zouden meer informatie over een goede opname-setting zeker waarderen.
Over het distribueren van weblectures zijn meestal afspraken aanwezig (60%). Over het algemeen worden opnamen beplaatst op een weblectures-portal. Docenten krijgen de link toegestuurd ofwel worden geacht de opname zelf op te zoeken. Ze moeten de opnamen uiteindelijk zelf ontsluiten via het door hun gekozen medium (de elektronische leeromgeving danwel website). Tussen de instellingen zijn duidelijke verschillen in de aandacht die uitgaat naar bv. afscherming van opnamen en metadateren. Ondersteuners geven aan dat zij voor deze aspecten meer aandacht zouden willen. In het algemeen worden opnamen niet nabewerkt ofwel verrijkt met interactieve elementen. Er is relatief weining ervaring bij ondersteuners met nabewerking van opnamen omdat hiervoor in principe geen tijd beschikbaar is. Wanner dit wel wenselijk / begroot is, lopen de mogelijkheden per aanbieder bovendien sterk uiteen.
Conclusie: Ondersteuners geven aan dat ze docenten voldoende kunnen instrueren over de specifieke punten die voor een weblecture van belang zijn (beeld / geluid). Ze geven aan niet zozeer bezig te zijn met de didactiek maar laten dit ook graag aan een onderwijskundige / adviseur. Over de organisatie omtrent weblectures zijn er meer verbeterpunten: er moet teveel moet gebeuren in een korte tijd (van intake, opname, ontsluiten). Ook zijn processen niet altijd helder geregeld. Weblectures zijn er een beetje bijgekomen (zonder overleg). De professionalisering moet zich dan vooral ook richten op organisatie
Manager
Van de managers die de vragenlijsten hebben ingevuld heeft 60% ervaring met weblectures. Zij hebben de toepassing gezien als inzet voor studiemateriaal (colleges, kennisclips) maar ook als middel in voorlichting. Ze geven aan dat de toepassing van weblectures een ontwikkeling is die blijvend zal zijn, omdat er steeds meer met videobeelden wordt gewerkt. Ook het plaats- en tijd onafhankelijk maken van onderwijsvormen is een ontwikkeling die hierbij een belangrijke rol speelt.
Naar de inschatting van het management hebben docenten duidelijke ondersteuningsbehoefte op gebied van didactiek (87%), Techniek (92%), organisatie (30%). Ook zouden in hen ogen de ondersteuners moeten nog geschoold moeten worden in het verzorgen van goede opnamen. Management ziet trainingen op gebied van weblectures liefst in groepen (62%) en via tutorials (58%), maar ook individueel / maatwerk (40%) zou tot de mogelijkheden moeten behoren. Deze voorlichting / instructie voor docenten zou moeten worden verzorgd door de eigen onderwijskundige (85%) en / of door ICT/AV (45%). Hier inhuren van externe trainers zien de managers niet zitten.
Volgens het management dient het hele opnameproces (intake, opname, distributie) technisch ondersteund te worden (90%). Ook geven ze aan dat ze liefst zien dat opnames worden voorzien van metadata (door docent) en ontsloten worden via een portal ofwel de bibliotheek. Hiermee moet hergebruik worden bevorderd. DE managers hebben aangeven dat ze liefst zien dat opnamen in de basis gelsoten worden gedistribueerd en enkel geselecteerde lectures vrij toegankelijk zijn. Hierbij spelen zowel kwaliteitsaspecten een rol (in de opname wel sterk), maar ook uit concurentieoverwegingen (gluren bij de buren) en auteursrechten. Ze zijn duidelijk over het eigendom van de weblecture. Wanneer een docent is opgenomen en heeft aangegeven dat de opname bruikbaar is komt het eigenaarschap van opname bij de instelling te liggen (85%). Wanneer een docent bezwaren zou hebben tegen gebruik van weblectures zullen ze hier achter altijd rekening mee houden.
Volgens de managers zijn er momenteel voldoende faciliteiten aanwezig om op beperkte schaal weblectures aan te bieden, maar wanneer er op termijn een omschakeling gemaakt gaat worden naar een bredere toepassing zullen er zeker veranderingen doorgevoerd moeten worden. Daarbij gaat het dan om de techniek (meer en / of betere opname-sets) en professionalisering van de organisatie (inzetten van ondersteuners). Dit vraagt om een aanzienlijke investering; daarom zal bij weblectures de nadruk steeds meer komen te liggen op de meerwaarde die weblectures hebben in relatie tot de kosten die dit met zich meebrengt. Dat studenten de beschikbaarheid van weblectures zeer waarderen is natuurlijk mooi, maar het aantonen van de didactische meerwaarde is -per saldo- belangrijker.
